(dinsdag 26 mei 2009)
Keuzebegeleiding of leren kiezen

Tijdens een studiedag van Uitgeverij Malmberg wist Carel van Nahuijs de deelnemers te boeien met een inleiding over veranderingen die zich in het vakgebied van de decaan en loopbaanbegeleider de laatste 30 jaar voordeden. De verandering van naam van ‘Beroepskeuze’, via ‘Studie- en beroepskeuze’ en ‘Keuzebegeleiding’ in ‘Loopbaanoriëntatie en –begeleiding’ staat voor de  veranderingen in opvattingen en visie op het vakgebied en weerspiegelt de ingrijpende veranderingen die zich in de maatschappij met betrekking tot de arbeid heeft voltrokken. Carel van Nahuijs is adviseur van onderzoek en ontwikkeling van digitale LOB-instrumenten zoals Schooltraject. In zijn bijdrage staat hij stil bij de veranderingen en de kenmerken van loopbaanbegeleiding.

Beroepskeuzeadvisering
Tot ongeveer midden jaren 70 van de vorige eeuw wordt het vakgebied voornamelijk bevolkt door psychologen die via testen naar capaciteiten, interesse en persoonlijkheid een kandidaat doorgelichten. De psycholoog interpreteert de uitkomst en stelt een advies op dat hij bespreekt met de kandidaat. Beroepskeuzeadvisering is in deze periode geen regel maar uitzondering. Keuze voor een opleiding of beroep wordt niet als een probleem gezien.

De scores voor rekenen, taal,  aardrijkskunde en geschiedenis bepalen de route naar het middelbaar vervolgonderwijs of het beroepsonderwijs. De sociaal-economische positie van het gezin en de ambitie van de ouders speelt daarbij een belangrijke determinerende rol. Jongens in het beroepsonderwijs volgen vaak het spoor van hun vaders, meisjes bereiden zich voor op de rol van huisvrouw of komen in de zorgsector terecht. Voor de Mulo/Mavo-leerling is min of meer een route uitgestippeld naar de administratieve beroepen. HBS’ers en Gymnasiasten, of na de mammoetwet havisten en vwo’ers, stromen door naar het hoger onderwijs. Ook bij hen bepalen voornamelijk cognitieve aspecten in welk type hoger onderwijs zij terechtkomen. De duidelijke scheiding tussen Alfa’s en Bèta ’s bepaalt het vervolg van de studie en beroepsloopbaan. Aan het einde van dit opleidingstraject ligt een beroep min of meer klaar.

Een overzichtelijke wereld. Het onderwijssysteem fungeert als rangeerplatform voor de arbeidsmarkt. Je stapt in een bepaalde trein en die komt ergens bij een baan uit. Beroepskeuze is er slechts voor die enkele leerling die ergens op dat rangeeremplacement de weg kwijtraakt of nadenkt over zijn bestemming en wil weten wat er op het eindstation te koop is.

Kenmerken van deze fase:

  • De adviseur staat centraal, neemt testen af, diagnosticeert, interpreteert en geeft advies.          '

  • De kandidaat is object van (psychologisch) onderzoek.

  • Beroepskeuze is eenmalige zaak.

  • Beroepskeuze is voor het leven.

  • Advisering is gericht op de juiste baan.

Eind zestiger jaren loopt dit systeem ook maatschappelijk vast. De vanzelfsprekende banen verdwijnen, de arbeidsplaatsenstructuur gebaseerd op één beroep voor de rest van het leven begint te kraken. Bovendien dient zich een grote groep leerlingen/studenten aan van wie de ouders geen ervaringen hebben met de mogelijkheden na dat hoger onderijs. De overgang naar een nieuwe fase in het vakgebied wordt zichtbaar.

Studiekeuzevoorlichting
De enorme toename van de doorstroom naar het hoger onderwijs eind zestiger, begin zeventiger jaren én de onbekendheid daarmee maakt voorlichting over opleidingsmogelijkheden nodig. de Landelijke Commissie voor Academische Studievoorlichting (LCAS) geeft in opdracht van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen het tijdschrift Straks Studeren uit. (Later wordt de A van Academisch vervangen door de A van Algemeen.) De informatievoorziening voorziet in een duidelijke behoefte. Universiteiten organiseren voorlichtingsdagen en de eerste methoden die zich richt op het kiezen van een studie komt op de markt. Het accent verschuift van de persoon van de leerling (capaciteiten, niveau, interesse en persoonlijkheid) naar het aanbod: Wat is er te koop. Al snel blijkt dat het scala van mogelijkheden een nieuw probleem introduceert: het maken van een keuze. Hiervoor worden meer en meer methoden uit de (economische) theorie van het consumentengedrag toegepast. Er komt een Keuzegids Hoger onderwijs, waarin kenmerken van studies en universiteiten (later ook HBO-instellingen) worden beschreven. De studiekiezer gaat zich als onderwijsconsument gedragen. De vóórs en tegens weegt hij af en zo komt hij tot zijn keuze. De volgende stap is dat een keuze niet als een moment wordt gezien maar als een proces, een in de tijd gespreid, samenhangend geheel van activiteiten gericht op het maken van de juiste studiekeuze.

Opvallend is verder dat de focus ligt op de studie met impliciet nog steeds de veronderstelling dat na het afronden van een studie het beroep vanzelf volgt. In het voorlichtingsmateriaal is weinig of geen aandacht voor de beroepenwereld. Je gaat studeren. Je spreekt niet over een opleiding voor een bepaald beroep. De gebruikte terminologie laat iets zien van hoe er in die periode naar de problematiek van studie- en beroepskeuze wordt gekeken.

Kenmerken van deze fase:

  • Informatievoorziening staat centraal.

  • Informatiedragers ontwikkelen zich van gidsen via cd-rom’s naar websites.

  • Professionals richten zich op begeleiding van de Keuze en het keuzeproces.

  • Geloof in de juiste keuze.

  • Kiezen wordt opgevat als rationeel proces.

Deze opvatting domineert in de jaren 80 en 90 van de twintigste eeuw. Aan het eind daarvan breken nieuwe inzichten door. Duidelijk wordt dat het beroep voor het leven is verdwenen en dat bij kiezen ook emotionele aspecten een rol spelen.  Bovendien wordt duidelijk dat de vraag wat te kiezen niet is te vinden in de, sinds de opkomst van het internet, steeds maar uitdijende hoeveelheid informatie. Sommige vragen zijn ook niet te beantwoorden zonder de vraag te herformuleren. Een nieuwe periode vangt aan, die van Loopbaanoriëntatie en loopbaanbegeleiding.

Loopbaanoriëntatie en –begeleiding
Een leerling kan de vraag stellen: ‘Ik heb vakkenpakket / profiel X, wat kan ik daar mee?’ De computerprogramma’s geven daarop een exact antwoord als: ‘Met dat vakkenpakket /profiel kun je 618 verschillende vervolgopleidingen volgen!’ Het antwoord was nog nooit zo exact én nog nooit zo nietszeggend. De computerprogramma’s zijn goed, het antwoord klopt. Wat is dan het probleem? Het probleem zit hem in de vraagstelling. Deze dateert uit de voorafgaande periode waarin de studiemogelijkheden centraal stonden.

Het is de rol van de loopbaanprofessional om de leerling te helpen bij het stellen van de juiste vragen. In het voorbeeld moet de leerling een reactie krijgen als deze: ‘Met dat vakkenpakket / profiel kun je erg veel kanten op. Maar ik zou eerst eens van je willen weten, wat je interesseert, waar je goed in bent en waarin minder goed. Heb je al een idee, hoe vaag ook, over een werkveld of een beroep waarin je zou willen werken, activiteiten die je zou willen verrichten? Als je een idee hebt, wil ik tenslotte weten hoe je daartoe bent gekomen en waarom je vindt dat dit bij je past.’ Veel vragen. De antwoorden daarop vragen tijd om ze te kunnen geven. Er wordt een discussie, een dialoog oftewel communicatie verondersteld.

Uit onderzoek aan de Universiteit van Groningen blijkt dat leerlingen in het voortgezet onderwijs, gelet op hun sociaal-emotionele ontwikkeling, vaak niet in staat zijn om zelfstandig alleen keuzes te maken over hun toekomst. Over het geheel genomen moeten leerlingen bij het maken van die keuzen worden geholpen, begeleid. De rol van de begeleider is niet te adviseren, zoals de beroepskeuze psycholoog in het verleden of het geven van antwoorden, zoals de studievoorlichters uit de periode daarna, maar begeleiden bij de zoektocht naar antwoorden die voor de leerling er op dat moment toe doen. Begeleiden van een leerproces, het proces van leren kiezen.

Nu kun je alleen maar leren kiezen als er iets te kiezen valt. Voor leerlingen is dat de keuze voor een sector of profiel of voor een vervolgopleiding of beroep. Het feit dat moet worden gekozen vormt de aanleiding tot interventies van de begeleider, de kapstok waaraan het leerproces kan worden opgehangen. Doel van dat proces is niet primair wat er gekozen wordt maar het proces van leren kiezen zelf. Dat proces heeft twee opbrengsten: een concrete keuze en een voortschrijdend inzicht van de leerling in het proces van het kiezen. Wat is belangrijk bij kiezen, hoe doe ik dat, waarom kies ik A of B, hoe verzamel ik informatie over mijzelf (voorkeuren, capaciteiten) over mogelijkheden, hoe weeg ik die etc. De opbrengst is vooral een ontwikkeling in de richting van een loopbaancompetente leerling, een leerling die in de loop van zijn schoolloopbaan door ervaring en reflectie daarop heeft geleerd hoe hij keuzen voor zijn toekomst kan maken.

Kenmerken van deze fase:

  • Leerling/kiezer staat centraal.

  • Leerling is subject in eigen proces.

  • Kiezen is een communicatief afstemmingsproces.

  • Professional wordt begeleider van proces van leren kiezen.

  • Doel: vergroting van loopbaancompetenties van de leerling.

Evaluatie
Nu klinkt bovenstaande u wellicht als te idealistisch in de oren. De praktijk vertoont allerlei kenmerken van opvattingen en praktijken die geheel of gedeeltelijk zijn ontleend aan de wijze waarop in de vorige eeuw naar LOB werd gekeken. Ouders, leerlingen zelf, maar ook grote groepen docenten verkeren in de veronderstelling dat de keuze voor een sector of profiel kan worden opgelost met het maken van een test. ‘Maak een test en je weet wat je moet worden en dus wat je moet kiezen’.

Een andere gedachte is dat het beschikbaar stellen van informatie over opleidingmogelijkheden de uitkomst is. Bij OC&W denkt men de uitval in het MBO te kunnen bestrijden met het uitbrengen van een Keuzegids MBO. Ook het management op scholen komt niet veel verder. Mentoren moeten de eerste lijns taak van decanen, wat betreft LOB, gaan opnemen is de gangbare opvatting. Men kan bezuinigen op taakuren van de decaan of iemand zonder onderwijstaken wordt aangesteld  omdat die lager kan worden ingeschaald. Verder kan iedereen op school op internet en dus de informatie zoeken die nodig is. Veel mentoren blijken niets voor hun LOB-taak te voelen. Trainers in het gebruik van LOB-instrumenten in het voortgezet onderwijs worden gevraagd om de mentoren te motiveren voor het gebruik van de LOB-instrumenten, terwijl de decaan liever zelf LOB wil verzorgen, maar de directie heeft nu eenmaal anders besloten.

Is er dan alleen maar ellende? Nee. Gesteund door de recente publicatie vn het boek ‘Puberbrein binnenstebuiten’ wil ik decanen en mentoren oproepen ernst te maken met hun primaire taak in het onderwijs: leerlingen iets leren, in dit geval leren kiezen. Leren kiezen door te begeleiden. Dat kost tijd en het levert iets op: leerlingen die hebben geleerd hoe te kiezen, loopbaancompetente leerlingen die beter gaan kiezen.

Carel van Nahuijs